De nieuwe Pensioenwet wordt sinds 2007 gefaseerd ingevoerd. Een van de wijzigingen die in 2008 is doorgevoerd is de rekenrente. Deze wijziging kan verstrekkende gevolgen voor u hebben wanneer u een nieuwe werknemer aanneemt. Eventueel pensioenoverdracht kan u duizenden euro’s extra kosten.
Werknemers kunnen in principe op drie manieren pensioen opbouwen: via een bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of via een verzekeraar.
Bedrijfstakpensioenfonds
Veel branches hebben een eigen bedrijfstakpensioenfonds. Denk bijvoorbeeld aan de metaalsector, de detailhandel en de bouwnijverheid. Werknemers zijn wettelijk verplicht hun pensioen hier op te bouwen. Wanneer een werknemers overstapt naar een nieuwe werkgever binnen dezelfde branche verandert er in principe niets. Het pensioen blijft gewoon doorlopen bij het bedrijfstakpensioenfonds. Gaat de werknemer over naar een andere branche dan stopt zijn pensioenopbouw binnen het betreffende bedrijfstakpensioenfonds. De werknemer kan zijn opgebouwde pensioenaanspraken overdragen naar de pensioenuitvoerder van zijn nieuwe werkgever. Dit kan een ander bedrijfstakpensioenfonds zijn, een ondernemingspensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij.
Ondernemingspensioenfonds
Een onderneming die niet onder een bedrijfstakpensioenfonds valt, kan er voor kiezen een eigen pensioenfonds op te richten. Het ondernemingspensioenfonds beheert dan het pensioen van het bedrijf. Vaak zijn het de grote, beursgenoteerde bedrijven die hiervoor kiezen. Dit heeft ook te maken met de kosten die hieraan zijn verbonden. Indien een werknemer uit dienst gaat bij het bedrijf stopt ook zijn pensioenopbouw. De werknemer kan er voor kiezen het tot dan toe opgebouwde pensioen bij het ondernemingspensioenfonds te laten staan. Hij kan het ook overdragen naar de uitvoerder van zijn nieuwe werkgever.
Verzekeraar
Kleinere bedrijven, die niet onder een bedrijfstakpensioenfonds vallen, kunnen het pensioen ook uitbesteden aan een verzekeringsmaatschappij. Als bedrijf kunt u uw eigen pensioenafspraken maken met de verzekeraar. Deze voert ze vervolgens uit en beheert het pensioen. Voor kleine bedrijven is dit vaak de beste oplossing. Als een werknemer uit dienst gaat, kan hij er ook hier voor kiezen het pensioen te laten staan, dan wel over te dragen naar de pensioenuitvoerder van zijn nieuwe werkgever. Door de nieuwe Pensioenwet kan een pensioenoverdracht van een ondenemingspensioenfonds of een bedrijfstakpensioenfonds naar een verzekeraar u duur komen te staan. Aangezien veel bedrijven in het mkb hun pensioen hebben ondergebracht bij een verzekeraar komt het regelmatig voor dat werkgevers met hoge kosten worden geconfronteerd. Gemiddeld gaat het om 15.000 tot 30.000 euro per werknemer. Dit probleem komt overigens alleen voor bij eindloon- en middelloonregelingen. Voor de beschikbare premieregelingen gelden andere rekenregels.
Verschil in rekenrente
Wat is er precies veranderd? Tot 2008 werd de waarde van het pensioen bij waardeoverdracht berekend op basis van een fictieve rekenrente van 4%. Deze rekenrente is in 1994 vastgesteld en wordt sindsdien door de pensioenfondsen gehanteerd. Onder de nieuwe Pensioenwet moet echter worden gewerkt met een reële, of marktconforme, rekenrente. Deze wordt jaarlijks door De Nederlandsche Bank (DNB) vastgesteld. Voor 2008 is de reële rekenrente vastgesteld op 4,926%. Dit tarief geldt voor alle uitvoerders. Verzekeraars boeken dit echter in tegen 3%. Het gevolg hiervan is dat bij pensioenoverdracht van een pensioenfonds naar een verzekeraar dit een werkgever veel geld kan kosten. Een lagere rekenrente houdt immers in dat je een hoger rendement moet maken om aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen. Voor de wetswijziging speelde het verschil in rekenrente ook al, maar op veel beperktere schaal. Het verschil in rekenrente tussen 3% en 4% is kleiner dan het verschil onder de nieuwe regelgeving; het verschil is opgelopen tussen 3% en 4,926%. Daarbij komt dat het een exponentieel verschil betreft. Dat houdt in dat hoe groter het verschil is, hoe groter de afwijking.